Dit verscheen op 9 september in De Morgen.

Vergeet de klassieke ivf, er is een ware vruchtbaarheidsrevolutie op komst. In hun boek De maakbare baby brengen fertiliteitsexperte Petra De Sutter (UZ Gent) en De Morgen-journaliste Eline Delrue een overzicht van alle mogelijke behandelingen om zwanger te raken. Hoe ver kun je gaan voor de kinderwens? Aan het woord komen naast wetenschappers ook (wens)ouders. Wij publiceren enkele stukken uit het boek.

LINDSAY STAAT BOVENAAN OP DE WACHTLIJST
voor een baarmoedertransplantatie

In blijde verwachting van een baarmoeder

Ze is nog jong, heeft geen baarmoeder, maar wil niks liever dan haar eigen baby dragen. Lindsay (28), grote liefde van Filip (30), is een van de eerste Vlaamse vrouwen die een baarmoeder van een donor ingeplant zal krijgen. ‘Deze kans moeten we gewoon grijpen. En is het niet, dan is het niet.’

“Tot voor kort was een draagmoeder onze enige optie op een baby van onszelf”, vertelt Lindsay. “Maar nu is er deze mogelijkheid: én een eigen kind én het zelf dragen. Dit mogen we niet laten schieten.”

Nog voor er sprake is van baarmoedertransplantatie, gaan Lindsay en Filip al aankloppen in een fertiliteitskliniek, samen met een draagmoeder. Maar die aanvraag botst op een njet, omdat de vrouw in kwestie twee keizersnedes achter de rug heeft. Een tijd later, in oktober 2014, hoort Lindsay op de autoradio een bericht dat haar aandacht trekt: in Zweden is de eerste baby geboren na een baarmoedertransplantatie. En ook het UZ Gent onderzoekt de toepassing van de techniek in ons land.

“Geen moment hebben we geaarzeld”, vertelt Lindsay. “We hebben direct gemaild met de vraag hoe dat zat. Nog voor er een echte wachtlijst was, hebben ze ons al bij de geïnteresseerden gezet. Anderhalf jaar later, in de zomer van 2016, mochten we dan voor het eerst op gesprek. Het begin van een spannend parcours.”

Binnenstebuiten gekeerd

Lindsay was veertien en verstoken van menstruatie, toen artsen ontdekten waarom: ze lijdt aan het MRKH-syndroom of het syndroom van Mayer-Rokitansky-Küster-Hauser. Dat betekent: wel gezonde eierstokken, maar geen baarmoeder. Lindsay: “Een slag in mijn gezicht? Ja en nee. Ergens waren het vooral zorgen voor later. Een tijdlang heb ik ook gedacht dat ik zelf geen kinderen hoefde.”

Want daar, in haar eigen kinderdagverblijf, zit ze sowieso tussen de allerkleinsten. “Niet dat ik dit beroep gekozen heb omdat ik zelf geen kinderen kan krijgen. Het is geen compensatie, ik werk gewoon graag met kleintjes. Maar precies omdat ik er elke dag tussen stond, was het verlangen naar een eigen kind lange tijd niet zo groot. We wisten ook dat het niet makkelijk zou gaan, ook dat temperde die wens misschien. Maar de laatste drie jaar is dat helemaal gekeerd. We zagen koppels rondom ons kinderen krijgen en begonnen er zelf ook sterk naar te verlangen.”

Longen, nieren, hart, gebit, urine, bloed: Lindsay is de voorbije maanden zowat binnenstebuiten gekeerd. Intensieve vooronderzoeken, plus psychologen en psychiaters, moeten inschatten of vrouwen zoals zij helemaal klaar zijn voor dit traject. Ook omdat zware medicatie nodig is, om afstoting van de baarmoeder tegen te gaan. En, laten we wel wezen: het blijft natuurlijk een operatie. Lindsay: “Dat is iets waar ik soms mee in mijn hoofd zit, dat het een groot litteken zal zijn. Maar wie weet krijgen we er toch iets speciaals voor in de plaats? Dat is wat telt.”

Nu de grote medische check er bijna op zit, kan Lindsay binnenkort ivf ondergaan, voor een punctie. De fertiliteitsarts plukt dan zoveel mogelijk eicellen weg, die nadien in het labo worden bevrucht. Komen daar een aantal goeie embryo’s uit, dan gaan die het vriesvak in, én komt Lindsay definitief op de wachtlijst. Dan wordt het helemaal nagelbijten, wachtend op een baarmoeder van een overleden donor. “Die periode zal nog het ergste van al zijn”, vermoedt Lindsay. “Niet de vooronderzoeken, niet de ivf, of het invriezen van de embryo’s. Maar het wachten op dat telefoontje. Opspringen bij elk nummer dat je niet herkent.”

Er komt onnoemelijk veel bij kijken, dat is het minste wat je kunt zeggen. Dan moet je wel een relatie hebben als een rots om op te bouwen. Zeker als je voor de buitenwereld gewoon dat jonge koppel bent dat een huis bouwt. Dat koppel dat steevast het grapje wegwuift ‘of er al een kinderkamer is’ – “want we hebben nog alle tijd om daaraan te beginnen”. Zij die beter weten, zijn op één hand te tellen, dus dragen Lindsay en Filip dit vooral alleen.

Filip: “Heftig, zeg je? Ik kan me wel voorstellen dat anderen er zo over denken. Want er komt inderdaad veel bij kijken. Maar als je er zelf middenin zit, dan doe je dat gewoon. We krijgen maar één kans, en dus ondergaan we dit. Met de volle goesting. Als buitenstaander denk je wellicht: amai, al die onderzoeken. Maar zo zien wij het niet. Elke stap die we kunnen afvinken, is passé. Hop, op naar het volgende. Dat is ook onze sterkte. We halen overal het positieve uit.”

Spannende tijden

Positief-realistisch, zo staan ze er tegenover. “Dit is onze enige kans om zelf een kindje te dragen”, glundert Lindsay. “Die kans willen we 100 procent grijpen. Is het niet, dan is het niet. Dan zal dat spijtig zijn, maar hebben we tenminste toch geprobeerd. Anders gaan we ons later misschien schuldig voelen dat we het niet gedaan hebben. De kans doet zich nu voor, wij zijn er klaar voor, hebben de perfecte leeftijd, en ons huis is bijna af. (glimlacht) Op dat vlak zit het ons al mee.”

Het beloven spannende tijden te worden voor Lindsay. Wachten op dat telefoontje: dat ze een baarmoeder beschikbaar hebben, die dan ook nog eens geschikt is. Als het lot een beetje meezit, komt het er dit jaar nog van. Al rijst dan onvermijdelijk die volgende vraag: stoot haar lijf dat geschenk, hoe mooi het ook is, niet af? Blijft die kinderkluis wel veilig zitten? Daar zijn pillen voor nodig, veel pillen, die je niet één dag vergeten mag. Is de operatie geslaagd, dan dient de baarmoeder getraind te worden zoals een spier. Een baby is dus nog niet voor meteen.

Lindsay: “Na de transplantatie wachten ze een jaar voor ze een embryo gaan terugplaatsen. De baarmoeder moet echt stabiel zijn, zeker die laatste vier maanden. In het begin krijg je veel medicatie tegen afstoting. Die bouwen ze dan langzaam af naar een minimum. Maar dat blijft nodig, zelfs tot na de bevalling nog. Daar hebben ze ons echt wel op gewezen: dat ik nauwgezet mijn medicatie moet nemen. Daar slordig mee omgaan, kun je je echt niet veroorloven.”

En voor de rest, zo voegen ze er nog aan toe, komt het zoals het komt. Mocht het niet lukken, dan vallen ze terug op plan B: een draagmoeder. Of op plan C: adoptie. Filip: “Lukt ook dat niet, dan is het maar zo. Dan blijven we met ons tweetjes. Want met ons tweeën zijn we tenslotte ook keigelukkig, hé. Maar we geloven er wel in, in ons plan A. Je moet er ook wel in geloven.”

En dat die baarmoeder, dat grootste denkbare cadeau, er na één kindje al weer uit moet, dat zou dan echt wel het laatste van hun zorgen zijn. Lindsay (minzaam): “Na één zouden wij al supercontent zijn. Nietwaar, schat?”

ELINE DELRUE