De titel van het eerste boek van Petra De Sutter (52) kan niet meer cliché zijn, maar ‘(Over)leven’ zegt het allemaal. Ze heeft moeten vechten. Eerst met zichzelf, als transvrouw. Dan voor haar patiënten, als wereld­vermaarde gynaecologe. En nu ­tegen aanvallen onder de gordel, als politica. Daardoor staat ze sterker dan ooit. Een buiten- gewoon boegbeeld, tegen wil en dank.“Eigenlijk wilde ik gewoon een heel normaal leven leiden.”

Dat heb je dan, als je zelf je naam mag kiezen. Dan wordt het iets met bakken symboliek, zoals Petra, het Griekse woord voor rots. Standvastig en sterk, zoals ze na haar transitie wilde zijn. Wikipedia mag dan beweren dat dokter De Sutter vroeger als Peter door het leven ging, dat is een hardnekkige fabel. “Ik heb geprobeerd om die pagina te laten veranderen, zonder succes. Dus is mijn oude naam nu mijn kleine geheimpje.”

Over al het andere dat haar gesterkt heeft, is Petra De Sutter vandaag wel openhartig. De laatste keer misschien. “Sinds ik twee jaar geleden naar buiten kwam door op de lijst van Groen te gaan staan, wil iedereen mijn verhaal weten. Het blijkt mensen te inspireren die ergens mee worstelen. Niet alleen met gender­identiteit, maar met een relatie, of met een studie­keuze of een jobkeuze. Een situatie waarin ze zich ­gevangen voelen. Ze willen horen hoe ik er ben uit­geraakt. Nu kan ik gewoon zeggen: lees mijn boek, en kan ik zelf verder met belangrijkere dingen. Want voor mij is dat hoofdstuk twaalf jaar ge­leden al afgesloten. Ik denk er eigenlijk geen seconde meer aan.”

Veertig was je toen je voor het eerst als vrouw naar buiten kwam. Waarom had je zo lang gewacht?

“Jarenlang wist ik zelf ook niet wat er precies met mij aan de hand was. De tijden waren anders toen. Vandaag kan een tiener even googelen naar wat hij voelt, voorbeelden zien en een mailtje sturen of bellen naar de hulpverlening. Ik vond enkel een paar boeken in de bibliotheek. Als het op televisie al eens over transseksuelen ging, dan waren dat excentriekelingen bij Jambers of flamboyante travestieten. Ik luister naar klassieke muziek, ben nooit een uitgaanstype geweest. Ik herkende me daar helemaal niet in. Zo wilde ik niet zijn. Ik zat met de gedachte dat het verkeerd was, dat ik dat gevoel dan maar moest overwinnen. Ik ben geen rebel. Ik wilde een normaal leven leiden, trouwde, kreeg een zoon, ging weer uit elkaar, stortte me helemaal op mijn carrière.”

Een carrière als gynaecoloog, waardoor je vrouwen al door en door kende nog voor je er zelf een werd. Ironie van het lot?

“Neen. Het heeft zelfs bewust meegespeeld in mijn specialisatiekeuze. De vrouw die ik zelf niet kon zijn, daar zou ik dan wel van ’s ochtends tot ’s avonds mee kunnen werken en bezig zijn. Het was een soort compensatie, om dicht te zijn bij wat voor mij onbereikbaar was. Niet dat alle mannen die gynaecoloog worden met hun genderidentiteit worstelen, hoor.”

Tien jaar leidde je een dubbelleven, schrijf je in je boek.

“Pas toen ik 28 was, durfde ik voor het eerst een vriend te vertellen waar ik mee vocht. Stilletjes begonnen de schaamte en het schuldgevoel te verdwijnen. Als ik in die jaren voor mijn werk naar Londen of New York ging, dan bleef ik een paar dagen langer en ging ik daar naar buiten als vrouw. Die eerste keer, dat was een openbaring. Ik was heel nerveus. Ik dacht dat iedereen het zou doorhebben, dat ik opgepakt zou worden zelfs. Maar er gebeurde niets. Ik kon gewoon vrouw zijn. Dat is ook de essentie, meer dan de geslachtsoperatie. Als transgender wil je geen vrouw worden; je bent er al één. Je zit alleen vast in het verkeerde lichaam waardoor mensen je als man zien.”

Waarom zette je dan niet meteen de volgende stap?

“Het spookbeeld waar ik mee zat, was dat ik alles kwijt zou geraken als ik écht voor de transitie zou kiezen. Dat ­iedereen mij aan de deur zou zetten, dat ik mijn job zou kwijtraken, mijn ouders en mijn vrienden, en dat ik in Amerika een nieuw leven zou moeten opbouwen als dienster in een restaurant. Ik zag dat niet zitten. Maar op mijn veertigste was het zo erg geworden dat ik niet anders kon. Ik zat op een point of no return. Er zijn er veel die er dan helemaal onderdoor gaan, die zelfmoord plegen. Dan word ik maar dienster, dacht ik. Gelukkig liep het helemaal anders. Als ik nu zie hoe begripvol iedereen was en hoeveel energie en kracht ik haal uit dat bevrijde gevoel, dan heb ik soms spijt dat ik niet twintig jaar eerder het lef heb gehad.”

Er hing wel een hoge prijs aan vast. Anderhalf jaar lang mocht je je zoon Tom niet zien.

“Dat heeft me heel veel pijn gedaan, ja. Hij was acht jaar, toen. Een rechter in kort ­geding had beslist dat ik geen geschikte ouder kon zijn. Alle experts hebben hem tegen­gesproken, maar intussen ­waren we wel anderhalf jaar verder. Ik ervaar dat nog altijd als een onrecht. Bouw die band daarna maar weer eens op. Het is uiteindelijk gelukt. Mijn zoon heeft er ook geen enkel probleem mee dat ik mijn verhaal vertel. Ik wist ook dat dat onvermijdelijk zou zijn als ik in de politiek zou gaan. Al heb ik er wel bewust mee gewacht tot hij achttien was, zodat ze hem er op school niet mee zouden uitlachen.”

Is dat een drijfveer geweest om in de politiek te gaan, dat onrecht, zodat het ­andere mensen niet moet overkomen?

“Onder andere. Maar het gaat veel breder dan dat. Ik wil strijden tegen onrecht in het algemeen. Onrecht ten opzichte van mensen met een andere geaardheid, tegenover vrouwen, tegenover zwakkeren, tegenover dieren, het milieu. Gelukkig ben ik als senator in de Raad van Europa beland. Een paar weken geleden ben ik er tot ondervoorzitter van de commissie Migratie benoemd. Dát zijn de grote uitdagingen. Nu, mijn maatschappelijk engagement was er al lang voor ik op een lijst ging staan. Ik was geen wit konijn. Ik zetelde in de Hoge Gezondheidsraad en in een aantal ethische commissies. Ik wou uit de vierkante centimeter van mijn vak­gebied komen en iets terug­geven aan de maatschappij, omdat ik al bij al veel geluk heb gehad. Dat klinkt precies nogal moeder Teresa, niet?”

Nogal.

“Probeer het misschien wat minder als moeder Teresa op te schrijven. Al heb ik gehoord dat zij ook niet zo’n gemakkelijke madame was.” (lacht)

Iets teruggeven, doe je ook als hoofd van de afdeling reproductieve geneeskunde van het UZ Gent. Je grijpt in op de natuur en brengt nieuw leven.

“Noem het veeleer de natuur een handje helpen. Als het sperma niet goed genoeg is, dan gaan we IVF of ICSI gebruiken om toch tot een bevruchting te komen. Als je dat in vraag stelt, dan stel je de geneeskunde in vraag. Dan moet je ook geen antibiotica nemen bij een infectie. Dat is iets helemaal anders dan genetische selectie; want dat vind ik wél een angstaanjagende gedachte. Eerst de slechte mutaties eruit halen, maar daarna worden er misschien geen kinderen meer met dyslexie geboren of was ik er zelf niet geweest. En daarna misschien het genoom nog wat verbeteren, zodat we alleen nog sportieve, knappe mensen krijgen. Dat gaat veel te ver. De maakbaarheid van de mens moet grenzen hebben.”

Wringt het niet, om zo veel koppels aan een kind te helpen, terwijl transgenders in België nog steeds verplicht gesteriliseerd moeten zijn?

“Dat is een schending van de mensenrechten, laat dat duidelijk zijn. Bij ons moet je verplicht teelballen of eierstokken laten wegnemen om officieel van geslacht te mogen veranderen. Die wet moet veranderen. De betrokken ministers weten dat, maar het gaat zo verschrikkelijk traag. Ik zie het als mijn plicht om daar politiek voor te strijden, maar niet alleen daarvoor. Trans­genders zijn maar een hele kleine groep; er zijn nog veel vormen van discriminatie en nog veel thema’s die een wettelijk kader nodig hebben, zoals draagmoederschap. Daarrond werk ik aan een rapport waarover gestemd zal worden door de Raad van Europa.”

Waardoor je plots in het oog van de storm komt. ­Belangenvermenging is nog het beleefdste wat de tegenstanders roepen. Is het de eerste keer dat je zo wordt aangevallen?

“Ja. Ik had geen idee van het soort haatcampagnes dat lobbygroepen op Europees niveau voeren. Het gaat om christelijke fundamentalisten en radicale feministen, die elke vorm van draagmoederschap koste wat het kost willen verbieden. Ook wanneer een zus draagmoeder wil zijn, iets wat ik altijd zal blijven verdedigen. Elke dag krijg ik haatmails en tweets, terwijl ik in Vlaanderen nooit persoonlijk ben aangevallen wegens mijn standpunten. Ik symboliseer alles wat zij haten, hé. IVF, abortus, het homohuwelijk, transgenders. Door alles wat ik heb meegemaakt heb ik een olifantenvel, maar ik kijk wel een beetje uit naar de dag dat het draagmoederrapport achter de rug is.”

Een heel leven in het teken van geboorte en weder­geboorte; een filosofische mens zou er een patroon in herkennen.

“Die rode draad is er, ja. Er zijn mensen die bij hun transitie ook effectief geboortekaartjes sturen, omdat ze een nieuw mens zijn naar de buiten­wereld toe. Nu, dat heb ik zelf niet gedaan, hoor.”

(Over)leven, door Petra De ­Sutter, 200 blz., 19,99 euro, bij Manteau. Verschijnt op 29 februari.

Copyright © 2015 Corelio. Alle rechten voorbehouden
Pagina 18
Het Nieuwsblad Za. 27 Feb. 2016, Kim Clemens